Orleans

In augustus 2018 fietste ik naar Orleans, heen langs de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog en terug via de St-Jacobsroute.
Zaterdag 4 aug, Amsterdam – Den Briel (96 km)
Pont naar Rozenburg

Langs knooppunten, die ik thuis met de routeplanner van de Fietsersbond op een rij had gezet, ben ik tot een camping bij Den Briel gekomen. Daar heb ik mijn zweet, na deze warme eerste fietsdag, afgespoeld onder een douche aan het Brielse meer. ‘s Avonds was er feest in de kantine. Ik probeerde er doorheen te slapen. Feestgangers vroegen zich af hoeveel mensen er in mijn tentje lagen. Lachen!

Zondag 5 augustus, Den Briel – Bredene (156 km)
De omleiding bij de Internationale dijk heeft me 258 Kcal gekost.

Mijn camping buurman bood een kopje koffie aan. Daarna zat ik om halfnegen weer op de fiets. Met de wind mee over de Zeeuwse dammen en met de pont bij Veere. Daar stonden veel fietsers te wachten maar de pont bleek gelukkig groot genoeg.

De internationale dijk tussen Cadzand en Knokke was afgesloten. Jammer, want daar ligt achter het Zwin juist zo’n mooi fietspad. Die omleiding kostte me zeker een half uur (en 258 Kcal). Uiteindelijk ben ik doorgefietst tot Bredene. De camping daar was stampvol en bovendien al gesloten. Ik ben de slagbomen gepasseerd en heb mijn tentje opgeslagen bij een speelveld, tot verbazing en mogelijk irritatie van de ogeschoten meisjes die daar rondhingen.

Maandag 6 augustus, Bredene – Armentières (149 km)
Diksmuiden

Weer een warme dag! Vanaf Nieuwpoort rijd ik aan de hand van de Franse ‘Vélo Guide sur les chemins de la Grande Guerre’, gekocht bij Pied à terre in Amsterdam. Ik doorkruis het gebied van de IJzer over een voormalige spoorlijn naar Diksmuiden, bekend om een pompeus vredesmonument en de jaarlijkse bijeenkomsten van het Vlaams Blok. Langs lommerrijke kanalen kwam ik in Ieper. Het valt niet mee de route te vinden. Ik moet wennen aan de beschrijvingen in de Vélo Guide en de bebording in België is niet altijd top. Desondanks heb ik Armentières bereikt, waar ik mijn tent heb opgeslagen achter een stapel brandhout. Bij het bedekken van mijn tassen met hooi en takken prikte ik me aan een doorn.

Dinsdag 7 augustus, Armentières – Albert (103 km)
Kerkhof rue du Bacquerot (bij Armentières)

Ik moest lang zoeken naar de weg tussen La Bassée en Lens. De wegwijzers zijn gericht op autoverkeer en leiden rond de stadscentra. Het is ideaal dat in deze omgeving veel kerkhoven zijn, omdat ik daar mijn bidons kan vullen met water dat daar beschikbaar is voor het verzorgen van bloemen. Vanaf de fiets krijg ik enig beeld van de omgeving waar legers zijn weggevaagd, in niemandslanden en loopgravenlinies.
Bij de Somme in Albert vond ik net op tijd een mooie, bescheiden camping. Er vielen al een paar spatjes toen ik de tent opzette, en snel daarna begon het hevig te waaien, bliksemen en regenen. De mensen op de camping sjorrden hun tenten vast. Mijn tent stond stevig maar bleek zo lek als een vergiet. Met mijn scheerbakje heb ik zo goed als dat ging het water naar buiten geschept.

Woensdag 8 augustus, Albert – Compiègne (103 km)
In Noord Frankrijk heb je aan begraafplaatsen geen gebrek, handig als je water nodig hebt.

Ik verlaat de camping nog voordat de receptie geopend is. Bij een bakker met café in Albert heb ik twee warme bekers café au lait gedronken met een stokbrood ham-fromage. Ik probeer de route uit te stippelen maar ben mijn bril kwijtgeraakt. Gelukkig is er in de buurt een opticien waar ik een eenvoudige leesbril van kunststof kon kopen. Voor de lieve som van 19 euro, dat wel. Doel vandaag is Compiègne. Bij de zoveelste begraafplaats heb ik mijn bidons gevuld.

Montdidier is een fraai stadje maar naar het dorpsplein is het een hele klim. Bij een bakker heb ik mezelf getrakteerd op een warm pizzabroodje, wat uiteindelijk avondeten is worden. In een keurig geoutilleerde supermarkt heb ik ook nog wat aanvullende boodschappen gedaan: bekertjes Danette vla, een banaan en toch nog maar een fles cola. Door een echtpaar op een terras heb ik me uitvoerig laten informeren over de te volgen route, omdat ik geen zin had om de verkeerde kant de berg af te rijden. Vlak voor Compiègne, het werd al donker, dacht ik een goede slaapplek te hebben gevonden, maar de grond was veel te hard. Ik ben een stukje teruggelopen naar de weg en vond, nogal in het zicht, een redelijk plekje. Bij het slaan van de haringen was het donker. Er lag rommel en er was ooit een vuurtje gestookt, maar verder was het er prima.

Donderdag 9 augustus, Compiègne – Parijs (117 km)
Parijs!

Rond een uur of zeven vielen er druppels op de tent en ben ik als de wiedeweerga opgestaan. In de bossen ten zuiden van Compiègne barstte de regen pas echt goed los. Ik gebruik nu de gids van de Jacobsroute maar rijd toch nog wel eens fout. Na enig dwalen kom ik kletsnat weer uit de bossen. In de dorpjes is vrijwel alle horeca gesloten wegens de vakantie. Gelukkig heb ik yoghurtjes en stokbrood bij me. Aan het eind van de middag bereik ik het kanaal van de Ourcq, dat kan ik vijftien kilometer volgen naar het centrum van Parijs. Het wordt tijd voor een hotel en een warme maaltijd. Het eerste waar ik aanklop is een Ibis aan de Quai de l’Oise. Dat heeft een parking voor auto’s maar geen plek voor mijn fiets. De receptionist houdt voet bij stuk, en ik vertrek. Bij Gare du Nord vind ik een kamer inclusief ontbijt voor 65 euro in Hôtel du Brabant in de Rue des Petits Hôtels. De receptionist is een jonge verfranste Algerijn en doet niet moeilijk. Mijn fiets kan in een gangetje staan vlakbij de balie. In een Italiaans restaurant op de hoek van de Boulevard de Magenta en de Rue Belzunce hebben ze lekkere pizza met salade, en daarna duik ik mijn comfortabele hotelbed in.
 

Vrijdag 10 augustus, Parijs-Ormoy la Rivière (76 km)
Dwars door de stad van noord naar zuid.

Relatief eenvoudig fiets ik dwars door de stad. Ten zuiden van de stad is het parkachtig, maar komt het ene vliegtuig na het andere over. Je zit bij Orly, wat dat betreft lijkt het hier net het Amsterdamse bos bij Schiphol. Af en toe raak ik de route kwijt maar, dankzij een kompas op mijn stuur en een tablet met gps, nooit voor lang. Aan het eind van de dag vind ik een beschut plekje op een camping bij Ormoy la Rivière.

Zaterdag 11 augustus, Ormoy la Rivière – Orléans (87 km)

De route door het Ile de France naar Orléans is niet ingewikkeld, zodat ik kilometers kan maken. Ik passeer een testbaan van de Franse monorail (Aerotrain) uit 1969. Het zou onderdeel worden van een snelle verbinding tussen Parijs en Orléans, als Frankrijk uiteindelijk niet had gekozen voor de TGV. In Orléans heerste langs de Loire een zomerse strandstemming. Ik moest in Olivet zijn, ten zuiden van Orléans, waar ik door vrienden feestelijk werd binnengehaald. We hebben samen aan een lange tafel buiten gegeten, glaasje wijn erbij.

Het landhuis bij Orleans in de avond.
Maandag 13 augustus, Orléans-Etréchy (88 km)

Na het weekeindje Orleans stap ik weer op de fiets.

Na het weekeind in Orleans ben ik tussen de middag weer op de fiets gestapt. De wind kwam uit een goede hoek, en doordat ik de route herkende van de heenweg, ging het relatief snel. Mijn tentje heb ik opgeslagen op een stille camping bij Etréchy. Daar schijnt het in het weekeinde tot leven te komen, maar nu zijn een paar Nederlanders op een kampeerveldje ongeveer de enige gasten.

Dinsdag 14 augustus, Etréchy – Gressy (93 km)

Om zes uur arriveer ik in Parijs, waar ik gegeten heb op een terras in Montrouge: een groot broodje hamburger met frietjes, daarbij een halve liter Leffe, en een kop koffie toe. Ik heb een tijd gekeken op het viaduct over de Périphérique, die eigenlijk best goed in de stad is weggemoffeld. Op de Boulevard Saint-Michel heb ik in een grote boekhandel het boek Concerto à la mémoire d’ un ange ekocht. Dat was me in Nederland aanbevolen. Langs het Canal de l’Ourcq werd het donker. Ik heb het fietspad afgefietst tot net voorbij de D212 vlak bij Gressy. Ik was bezig mijn tent op te zetten, toen vanuit het duister iemand kwam aanlopen, een visser die poolshoogte kwam nemen. Hij wilde geloof ik vooral weten of ik niet stiekem ging vissen. Toen ik mijn tent inkroop, werd ik vier keer pijnlijk geprikt: de tent stond op een wespennest. Ik heb de haringen losgemaakt en de tent in z’n geheel, met slaapzak en al, een eindje verplaatst. Toen ik eindelijk weer lag, kwam er iemand met een zaklamp. Op mijn vraag of hij quelque chose zocht, kwam geen reactie. Op een gegeven moment hoorde ik auto’s vertrekken en werd het stil.


Ik heb een tijdje staan kijken op het viaduct over de Périphérique.
Woensdag 15 augustus, Gressy – Compiègne (81 km)
Kamperen op een vis stekkie

Vanochtend werd ik gewekt door het gehoest van iemand. Het was iemand die een eindje verderop stond te vissen. Hij kwam een praatje maken en bracht zelfs een beker koffie! Hij vertelde dat het 15 augustus was, Maria Hemelvaart, en dat de winkels gesloten waren.
Het Franse autoverkeer jakkert. Bij veel dorpen staan borden die automobilisten manen rustig te rijden, en hier en daar staan bermmonumentjes. In Moussy-le-Neuf was de Intermarché tóch open, tot half een, en in een aanpalend restaurant werd een dagmenu aangeboden waarvoor in ben gezwicht, zodat ik ’s avonds niet meer warm hoefde te eten. In de bossen bij Compiègne verdwaalde ik opnieuw en daarom heb ik maar een grote doorgaande autoweg gevolgd. Ik had gedacht voorbij Compiègne een kampeerplekje te zoeken in een rustig, groen gebied, maar ik kon de verleiding van een hotel aan de kade van de Oise niet weerstaan, Hôtel de Flandre. De fiets mag naar binnen en er is wifi.

Donderdag 16 augustus, Compiègne – St Quentin (83)

Het ontbijt in Hôtel de Flandre omvat veel koffie en een krant (Figaro. Er is een brug ingestort in Genua, chauffeurs zagen auto’s voor hen de afgrond inrijden.
Ik heb een bezoek gebracht aan de treinwagon van Compiègne (Armistice Compiègne) en het bijbehorende museum over WO I. Dat sluit goed aan bij mijn fietstocht. ’s Middag heb gepauzeerd in Noyon. Daar is Calvijn geboren maar van zijn van zijn geboortehuis is niets over. Er staat nu een museum wat ik maar heb gelaten voor wat het was. De kathedraal van Noyon zit nog vol kogelgaten.
In een dorp voor St-Quentin besluit ik naar de daar aangegeven camping te gaan maar die bleek onvindbaar. Het begon te schemeren, ik was van de route af, en de omgeving werd steeds meer bebouwd. Uiteindelijk heb ik de tent opgezet net binnen de bebouwing van St-Quentin. Hopelijk valt de groene tent in het groene gras niet te zeer op. Ik ga er vanuit dat de mensen te druk zijn met het verkeer om ook nog op de omgeving te letten.
 

Vrijdag 17 augustus, St-Quentin – Cambrai (73 km)

‘s Nachts werd ik wakker van een naderend onweer. Het rommelde en flitste en de wind stak op. Ik overwoog de tent op te breken. Maar wat dan? Het onweer viel mee, hoewel mijn slaapzak toch behoorlijk nat geworden is. In St-Quentin was het alweer lekker zonnig en tijd voor koffie op een terras. Aan een schutting hingen foto’s ter herinnering aan de Grande Guerre.
In Cambrai was het kermis in de hele stad heen. Lawaai, en een opdringerige schreeuwlelijk die door een microfoon een attractie begeleidde. Toch had het ook wel iets gezelligs, zeker als je weet dat de stad honderd jaar geleden in puin lag. Aan de rand van het tumult heb ik salade met frites gegeten op het terras van een Italiaans restaurant. Het heeft me veel moeite gekost de stad uit te komen. Ik leek een eind op weg maar moest weer terug langs nare wegen met vrachtverkeer. In de avondschemering vond ik een plek aan een bosrand; niet geweldig, in het zicht van de weg, en, zoals de volgende ochtend bleek, tussen de keutels van een of ander beest.

Zaterdag 18 augustus, Cambrai – Houtaing (98 km)

Ik volg een oude spoorbaan door een parkachtig gebied. Bij een Vlaamse herberg heb ik een kop koffie gedronken. Ze hadden een goed terras, op de kaart stonden frites en taart. Jammer genoeg had ik net een broodje gegeten. Op de fiets heb ik trouwens veel minder behoefte aan snoepen dan thuis. Eens kijken of ik dat een tijdje kan volhouden.
Bij de Belgische grens was een oude douanepost ingericht. Oude foto’s lieten zien hoe en waarom hier indertijd werd gecontroleerd. Tegen zessen kwam ik aan in Tournai (Doornik). Tournai heeft een fraaie kathedraal en een belfort toren maar het was er shabby. Bij de geldautomaten hielden zich bedelaars op en er speelden verlopen muzikanten. Het was iets te vroeg om te gaan eten en ik ben doorgefietst naar Houtaing. Daar staan beeldjes en kapelletjes voor de pelgrims naar Santiago de Compostella, en ze zullen er dus wel begrijpen dat iemand een tentje opzette. Ik vond een goed grasveld met daarachter een kerkhof; niet een onzichtbare plek maar ook niet erg opvallend. Horeca in Houtaing was er niet en ik heb bij de tent stokbrood en pinda’s gegeten, en limonade siroop gedronken. Er kwam een app binnen dat een studievriend was overleden. Ik had te lang gedaan alsof hij niet ziek was…

Zondag 19 augustus, Houtaing- Bornem (121 km)
Langs de Dender naar Dendermonde

Ik volg de Dender, een vlaams riviertje waar ik nooit van had gehoord anders dan in de naam van de schrijver Max Dendermonde. Dendermonde is een stadje, net als Denderleeuw. In Denderleeuw vond ik een fietscafé dat zich richt op fietsers, eigenlijk wielrenners. Het was niet gemakkelijk om op het terras te geraken, omdat de deur op een onbegrijpelijke manier geopend moest worden. Er stond ‘duwen’ maar er gebeurde niets. De wielrenners op het terras en wat vrouwen, begonnen zich er mee te bemoeien. “Bovenkant,” riepen ze. Dus ging ik aan de bovenkant duwen en maakte me op om eens flink kracht te zetten… Toen werd er geroepen: “nee!”. Het zal wel niet de eerste keer zijn dat iemand moeite met de deur had.
De Dender mondt bij Dendermonde uit in de Schelde. Het valt niet mee om de goede oever te blijven volgen. Daar kwam ik pas een paar dorpen verderop achter, toen ik in Schoonaarde verzeild was geraakt. Aan de overkant, in Weert, was een restaurant, maar dat zat vol. Ik weigerde het visitekaartje van de chef, omdat ik nooit meer terug zou komen, wat werd opgevat als een grove belediging. Dat heb ik maar zo gelaten, want na een dag fietsen was ik inderdaad een beetje nijdig. In Bornem, een dorp verderop, was een restaurant waar wél plek was. Het liep de mensen daar ook wel een beetje over de kop, had ik de indruk, maar ik had geen haast en heb goed gegeten (steak). Na het eten vond ik een slaapplaats in de bebouwde omgeving langs de weg. Ik werd een paar keer wakker van het autoverkeer meer verder geen toestanden.

Maandag 20 augustus, Bornem-Dordrecht (130 km)

Mijn ketting ratelt een beetje. Voor Antwerpen heb ik geprobeerd de oorzaak te vinden. Ik heb de ketting schoongemaakt met een doek en gesmeerd. Vermoedelijk is hij versleten. Ik ben door de Kennedytunnel gegaan ter hoogte van Hoboken. Hij was diep en had een keurig onderhouden lift van Thyssen Krupp. Mooi, maar niets voor Amsterdam, waar zo’n lift de drukte nooit zou kunnen verwerken. Na in het centrum koffie te hebben gedronken, kwam ik dankzij goede LF-2 bebording de stad gemakkelijk weer uit.
Ik ben de grens over gegaan bij Essen. In Moerdijk werd een kerk gesloopt – zo’n Emmeloord geval uit de jaren vijftig – treuriger aanblik is nauwelijks denkbaar. Hoewel Moerdijk ligt ingesloten tussen wegen, spoorlijnen, kanalen en industrie, is het best een mooie plaats. Holland in de jaren vijftig, zal ik maar zeggen. Via de Moerdijkbrug over het Hollandsch Diep kwam ik in Dordrecht. Prima horeca, en een camping waar ik in het donker mijn tent heb opgezet op een klein, vol veldje. Kort praatje gemaakt met de buren. Antwerpen voelt al als eeuwen geleden.


Mooi wonen in Moerdijk.
Dinsdag 21 augustus, Dordrecht Amsterdam (109 km)
Veerpont Kinderdijk – Krimpen ad Lek

De laatste loodjes. Rond acht uur zit ik op de fiets. Met de waterbus naar Papendrecht. Broodje gegeten op een bankje langs de Noord, een drukke vaarroute waar het af en aan vaart. De pont heeft me van Kinderdijk naar Krimpen aan de Lek gebracht. In Gouda heb ik op de markt een kop koffie gedronken. Gouda is een mooie stad en doet niet onder voor wat ik in Frankrijk en België heb gezien. Onder de rook van Amsterdam ben ik nog verkeerd gereden: de verkeerde oever langs de Kromme Mijdrecht. Bij Nes aan de Amstel voegde zich een ligfietser bij mij. Hij kwam uit Amsterdam en bleek zelfs in dezelfde buurt te wonen. Voor de Albert Heijn namen we afscheid maar ik reken erop dat we elkaar nog wel eens zullen ontmoeten.

Parijs

In oktober 2006 had ik een weekje om naar Parijs te fietsen. De bedoeling was heen en terug maar een sterke zuidwestenwind zat me tegen. Een jongetje in Boskoop riep zelfs plagerig dat ik niet hard ging. Een understatement. Parijs heb ik gehaald maar terug heb ik de trein moeten nemen.

In Dinant serveerden ze warme koffie in een café.

Langs de Maas in België at ik een broodje onder een brug waar de regen onderdoor waait.  In Dinant hadden ze gelukkig warme koffie in een warm café. Voorbij Dinant negeerde ik een wegafzetting. Hogerop was men bezig rotsen los te maken. Die rolden naar beneden. Zo snel mogelijk fietste ik door. Vlak achter me klapten grote brokken op het asfalt.

In de buurt van Forges staat een huis (Villa Lamarche) dat door Benjaminse (Fietsen naar Parijs) omschreven wordt als ‘een toonbeeld van verval’. Da’s niets overdreven. Driekwart van het huis is begroeid met allerlei struiken, ramen zijn dichtgetimmerd en de dakgoten lekken. Een benedenkamer is bewoond, waarschijnlijk door een oud vrouwtje voor wie het huis na jaren te groot geworden was.

De Franse weg leek eindeloos.

Gedurende een halve dag zag ik in de verte de stad Laon op een berg liggen. Toen ik er eindelijk aankwam moet ik zwaar klimmen naar het centrum. Het uitzicht was mooi maar auto’s verpestten veel. Een oude militaire vrachtwagen reed plotseling achteruit. Ik gebaarde de chauffeur dat hij beter uit zijn doppen moet kijken. Hij nam het vrij luchthartig op. Gelukkig maar want anders was het wellicht uitgedraaid op een scheldpartij, die ik in het Frans hoe dan ook verloren zou hebben.

Ik passeerde een Duitse erebegraafplaats en daarna een gewone. Mijn hoofd stond er niet naar want ik wilde even opschieten. Er lagen onwaarschijnlijk veel bloemen, dat zag ik wel. Eerder was ik ook al twee keer langs monumentjes gekomen voor verongelukte kinderen, een jongetje van zeven en een meisje van tien. Het was net Allerzielen geweest.

In de herfst zijn de dagen kort. Daarom kan je ‘s avonds geen kilometers maken. Als je  tegen zessen nog geen plekje gevonden hebt, zal je in het donker verder moeten zoeken.

Hotel Bellevue had tafels en bedden.

Benjaminse heeft in zijn gids een advertentie opgenomen van Hotel Belle Vue in het stadje Coucy. Dat ging ik maar eens proberen. Mijn fiets kon veilig staan in een berging met rolluik. Na een paar dagen afzien in een tentje was het lekker om te eten aan een tafel en te slapen in een bed.

Gelukkig had ik een oude reserveband bij me.

In mijn achterband ontdekte ik een bobbel. Het was een nieuwe band van de Hema, die ik kennelijk te hard had opgepompt. Ik liet er wat lucht uitlopen maar vlak na een afdaling klapte hij toch. Hij zal wel te warm geworden zijn. Gelukkig had ik een thuiskomer bij me. Overigens, Parijs was nog best even fietsen, al deden de af en aan vliegende vliegtuigen de nabijheid van de Franse hoofdstad al wel vermoeden.

Langs het Canal de l’Ourcq, dat naar het centrum van Parijs voert, ligt een man op een bankje. Slaapt-ie of is hij dood? Dat vroegen een vrouw en haar echtgenoot die een tochtje fietsen zich ook af, maar ze rijden door. Net als ik. Parijs, de grote stad.

Fietsrit langs alle Parijse hoogtepunten.

Mijn thuiskomer is vervelend zacht en daardoor zijn de Parijse snelheidsremmers extra irritant. Ik rijd er dan ook zo veel mogelijk omheen.

 

 

De reisgids van Benjaminse

Op Gare du Nord kocht ik alvast treintickets voor de volgende dag. De klokken van de Notre Dame luidden. Ik kwam langs de Eiffeltoren en de Arc de Triomf. In Parijs op een zaterdagavond is het verkeer druk maar er viel niettemin redelijk te fietsen. De stad leek minder groot dan ik als metropassagier en voetganger altijd had gedacht.

In een Parijs’ hotel sliep ik naast mijn fiets.

Bij de Place de la Republique vind ik een hotel: Hotel Republique. Ik kon er voor 65 euro terecht in een kamer naast de voordeur, zodat ik mijn fiets makkelijk mee naar binnen kon nemen.

Liechtenstein

In juni 2014 ben ik heen en weer gefietst naar Liechtenstein, bij elkaar drieduizend kilometer. Liechtenstein, omdat dit kleine vorstendom indruk had gemaakt op mij tijdens een wintervakantie in 1968.

Amsterdam (30 mei 2014)

Heen heb ik de route “Onbegrensd fietsen van Amsterdam naar Rome” gevolgd via de Elzas, terug de Rhein-Radweg door Duitsland aan de hand van een set Leporello Radwanderkarten. Meestal sliep ik buiten in een tentje of een slaapzak. Een paar keer heb ik mijn toevlucht gezocht in een hotel. Ik had keukenspullen bij me maar aantrekkelijke restaurants liet ik natuurlijk niet links liggen.

Zaterdag 31 mei 2014
Neder Hemert Noord – Nederweert

In de dorpen in Brabant vind je nog veel restaurants. Na een lekker stuk fietsen over de hei zit ik ergens aan tafel in Someren. Aan een ander tafeltje zitten een man, helemaal getatoeëerd, een vrouw en een kind. Ze lijken te zijn weggelopen uit Jiskefet.  Brabant zal een inspiratiebron zijn voor menig programma.

Ik fiets gelijkmatig maar niet snel en zal Maastricht vandaag niet halen. Ik slaap buiten in een bos. Er klinkt in de verte muziek van onder andere de Rolling Stones. In mijn slaapzak kriebelt het, ik blijk te liggen op een mierennest.

Mijn Idworx (XXL) op de hei bij Mierlo.

Maandag 2 juni 2014
Plombières – Born

Vannacht heb ik geslapen hoog in oplopend weiland. ’s Morgens zat ik onder de teken. Gelukkig had ik de tekentang bij me.  Maar ik vraag me af of ik ze goed verwijderd heb, ook  omdat ik niet mezelf op alle plaatsen kan bekijken. Ik heb er al drie gevonden en bij gelegenheid zal ik een spiegel kopen, en ook een kam want mijn haar zit in de war.

Vennbahn

Vanaf Raeren volg ik  de Vennbahnroute.  Daar zijn geen auto’s. Af en toe passeer ik restanten van het spoor: overwegpalen, seinen, rails. Het asfalt is zo glad dat ik meen een slag in mijn voorwiel te voelen. Voor de avond stop ik bij een camping. Die blijkt in Nederlandse handen te zijn. Ik eet er nasi met een spiegelei. Ik kan me wassen en scheren. Slapen in een tent op vlak gras voelt weldadig na een paar dagen wild kamperen.

Dinsdag 3 juni
Born – Stolzembourg

De bakker in St Vith werd overspoeld door scholieren, dus ben ik doorgereden. St Vith was een autohel. Op een plaatselijke plattegrond zag ik dat de straat waarop ik fietste de fietsroute zou kruisen. Ik heb behoorlijk moeten zoeken want de kruising bleek ongelijkvloers te zijn en de fietsroute lag in een oude spoortunnel. Later onderweg heb ik een leeuwerik gehoord, helaas overstemd door een kettingzaag. De auto is een talrijke vijand, de kettingzaag een lawaaiige.

Woensdag 4 juni
Stolzembourg – Stadtbredius

Bij vertrek begon het te regenen dus heb ik alles ingepakt: slaapzak in plastic, de spullen in de lekke stuurtas in een extra plastic zakje. Het heeft zo’n beetje de hele dag geregend. Toch een mooie tocht gemaakt, door Mullerthal (Luxemburgs “Zwitserland”), hoewel met veel autoverkeer. Ik was van de route geraakt, daardoor kwam ik langs de zendmasten van RTL, wat nog wel interessant was; maar ook kwam ik in Junglinster, een vreselijk oord waar een lange file van auto’s doorheen reed. In Stadtbredimus begon het te onweren. Ik ben een hotel ingegaan. De bediende, keurig wit kelnerpak, wilde mijn fiets later binnen zetten zodra het droog zou zijn maar dat vond ik niet zo’n goed idee. Dus heeft hij mij, met een paraplu boven zijn hoofd, de weg naar de garage gewezen. Vanuit het raam een foto gemaakt van de Moezel. Het hotel serveerde Gordon Bleu: taai vlees met kaas erin.

Donderdag 5 juni
Stadtbredimus – Metz

Ik ben over de fietsroute Moezel Thionville Metz gereden. Heel makkelijk en ook best interessant. Kerncentrale, kolenoverslag. In Thionville koffie gedronken in een modieus tentje op de boulevard langs de Moezel. De vrouw die bediende kwam mij nogal chagrijnig voor. Ruzie met de baas? Die leek ook haar vriend. Maar ze ontdooide toen ik haar erop attendeerde dat ze met het wisselgeld ook mijn geld had teruggegeven. Ik had mezelf beloofd dat als ik in Thionville een fietsenmaker zou passeren, ik er naartoe zou gaan. Er stonden er drie in de gids van Benjaminse maar ik wilde er niet voor omrijden. Cycles Pierron staat in de gids én ik kwam er pal langs.
De fietsenmaker constateerde een kleine slag in het voorwiel maar te klein dat ik hem had kunnen voelen. Niettemin heeft hij hem eruit gehaald. De bobbel zou in de band zitten. De benodigde maat hebben ze natuurlijk niet. Nou ja, zo gaat het ook en als het echt fout gaat, heb ik altijd nog een, weliswaar gebruikte, reserveband bij me.
Het is warm en droog. Tussen Thionville en Metz snuit ik mijn neus op de mijn eigen wijze. Meestal zijn het klodders, maar nu komt er een balletje uit de neus dat even mee stuitert. Dat heb ik in 45 jaar neussnuiten vanaf de fiets niet eerder meegemaakt.
Metz heeft een kathedraal en winkelstraten met originele winkels. Prachtig, maar ik had moeite om Metz uit te komen. Het werd laat en daarom heb ik vlakbij Metz geslapen in het open veld. ’s Nachts maakten beesten geluid. Er holde iets hard weg dat op een afstandje geluid bleef maken, een wild zwijn misschien.

Zondag 8 juni (eerste pinksterdag)
Allenwiller – Ribeauvillé

Warme dag, dutje gedaan onder een kersenboom in een wijngaard nabij Ottrott. Op de fietsroute veel recreatief verkeer: Frankrijk viert Pinksteren.

Amsterdam op het kompas bij Itterswiller.

Bij Itterswiller passeer ik een uitzichtpunt dat de moeite waard is. Er staat op het kompas een leuk plaatje van Amsterdam, aangemerkt als havenstad.
De camping In Ribeauvillé was ‘full, complet’. Ik heb domweg mijn tentje maar ergens op het terrein neergezet. De mensen rondom kletsten tot diep in de nacht maar ik heb goed geslapen.

Maandag 9 juni (Tweede Pinksterdag)
Ribeauvilé – Munchhouse

Elke schaduw grijp ik aan om te rusten. Bij een kruisbeeld in één van de dorpjes ter hoogte van Colmar, vond ik een lommerrijk plekje bij een fontein. Een kraai probeerde uit de waterbak te drinken vanaf de rand. Andere kraaien keken of het lukte. Opeens was er enorm kraaientumult: een kraai was aangereden. Zenuwachtig heen en weer gevlieg en gekras. Na een tijdje hipte een van de kraaien naar het slachtoffer, riep wat, en ging op een paal langs de weg zitten. Toen hieven alle kraaien een somber gekras aan. Het ging door merg en been en zou in een requiem niet misstaan. Het duurde een kleine minuut. Daarna werd alles weer min of meer normaal.

Dinsdag 10 juni
Munchhouse – Augst

Basel

Bij de Zwitserse grensovergang in Basel veroorzaakten wegwerkzaamheden een hels lawaai.  Bij UBS heb ik geld gehaald. krankzinnig grote biljetten die ik bij de balie gelukkig meteen weer klein kon maken. Daarna bij de Coöp yoghurt en cola gekocht. Een en ander heb ik opgegeten in een park. Later zag ik dat ik aan de Rijn eigenlijk veel leuker gezeten zou hebben. Bazel viel me niet tegen. In de winkelstraten zat een cellist Ave Maria te spelen, kinderen speelden in de fonteinen en legden zichzelf te drogen midden op straat.
In Augst vond ik een fraaie camping aan de Rijn. De mensen zwemmen in de rivier. Ik heb geen zwembroek en beperk me tot pootje baden. Naar zeggen van een aardige buurvrouw op de camping is het Bodenmeer haalbaar, en als Liechtenstein te ver is, kan ik toch gewoon de trein nemen? Maar dat wilde ik niet, en daar moest zij dan weer om lachen: “Alle mannen zijn hetzelfde.”

Donderdag 12 juni
Kaiserstuhl – Leutswil

Bij Teufen maakt de Rijn een bocht en daar waren kinderen (scholieren) aan het kanoën. Hoge rotswanden verrijzen er aan alle kanten; de Rijn, die bij Tolkamer zo breed ons land binnenstroomt. Ik ga een steile berg op (100 meter op 4 km, geloof ik op een bordje gelezen te hebben.) Het ging me relatief niet moeilijk af. In de eerste versnelling en dan rustig trappen en de tijd nemen. Ik reed verkeerd, per ongeluk via Volken, Dorf, maar dat is niet onaangenaam. Rustig ergens buiten naar de wc geweest, en me daarna gewassen in een waterbak met fonteintje midden in het bos.
In Zwitserland hangen overal bordjes met aanwijzingen. Bij een spiegel bij uitritten bijvoorbeeld staat: bitte beobachten sie den Spiegel of zoiets. Er staan nog net geen bordjes die je opmerkzaam maken op waarschuwingsbordjes.
Ik heb een camping in Leutswil bereikt. Het begon te onweren en ik schuil er met mijn fiets in de badruimte. Twee (Nederlanders) vluchtten hun tent in. Zodra de regen stopte heb ik  snel mijn tentje opgezet. Het bleef weerlichten en rommelen, ‘s  nachts volgde meer onweer.

Vrijdag 13 juni
Leutswil – Triesen

‘s Avonds fiets Liechtenstein binnen.

Liechtenstein! Via Oostenrijk, een extra land op m’n CV, ben ik Liechtenstein in gefietst.
In Mauren was een feest aan de gang waar schijnbaar de ganse jeugd van Liechtenstein in klederdracht naar op weg was. Nog ver voorbij het plaatsje zag ik ze zitten in bussen en wachten bij haltes. Lederhosen, paarse hemden, en de dames wit met paarse jurken. In Eschen kwam over de bergen opeens regen opzetten. Het werd al donker. Gefietst over een mooi fietspad langs de Rijn, waarop paaltjes stonden die waren gemarkeerd door een vijftig meter lange stippellijn.

Camping in Triesen

Het paleis van de vorst stond er mooi verlicht bij, te zien vanuit heel het land. Ik ben blij als ik de camping bereikt heb. Ik kies een plaatsje op een grasveld, naast een caravan met een Mercedes. De eigenaar daarvan tref ik in de douches. Hij poetste zijn tanden zeer onsmakelijk en snoot zijn neus in de wasbak. Toen ik de tent in kroop, regende het weer. Om de camping heen staan dreigend donkere bergen, totaal ander landschap dan dat van vanmorgen.

15 juni
Triesen – Wildhaus -Triesen

Alpenblick in 1968.

Ik fiets heen en weer naar Wildhaus, waar mijn familie in 1968 wintervakantie heeft gehouden. Hier is mijn oerbeeld ontstaan van Zwitserland, het landschap van bij de elektrische trein:  verspreid staande houten huizen met puntdaken, naaldbossen en rotsen. Soms klinken er koeienbellen.

Alpenblick in 2014

 

In Wildhaus heb ik nog behoorlijk moeten zoeken voordat ik het hotel van destijds gevonden had. Mijn enige houvast was het Zwinglihuisje. Maar opeens zag ik hotel Alpenblick, en toen herinnerde ik het me weer van de ansichtkaarten.
Alpenblick was er de afgelopen vijfenveertig jaar niet bepaald op vooruit gegaan. Het was een disco geworden, leek het wel. Of misschien is het zo’n oord waar after ski party’s gehouden worden, waarover je vaak hoort maar waarbij ik me nooit erg veel kan voorstellen.

Zwinglihuisje

Het Zwinglihuisje was onveranderd. Ik heb een foto gemaakt met de zelfontspanner. Er liepen mensen,  waarschijnlijk een rondleiding, maar ik had geen zin om hen aan te spreken.
Beneden in het dorp is een lelijke sporthal gebouwd met een midgetgolfbaan. De wandelroute naar Unterwasser en Alt Sint Johan ziet er net als in 1968 nog aantrekkelijk uit.

Maandag 16 juni
Triesen – Friedrichshafen

Met de Liechtensteinse bergen achter me fiets ik door het landje weer noordwaarts. Voordat het wist, had ik het land al weer verlaten en was ik in Oostenrijk. Ik stopte bij een picknickplaats en at mijn vruchtenyoghurt. Een drietal mensen, het is mij niet duidelijk of ze bij elkaar hoorden, toonde zich geïnteresseerd in mijn fietstocht naar Amsterdam. Een mevrouw vroeg of ze mag meerijden maar deed het toch maar niet. Verderop rijdt een andere mevrouw wél een stukje mee, tot Lustenau. Ze krijgt een beetje de slappe lach als ze hoort dat ik heen en weer naar Amsterdam fiets.

Woensdag 18 juni
Stein – Reinheim

In Schaffhausen haal ik een leraar in die met tientallen kinderen kennelijk op weg is naar de beroemde waterval. “Viele Kinder,” zeg ik. Hij antwoordt met een Zwitsers accent: “Niet allemaal van mij hoor.” Bij Schaffhausen Rheinfall mag je nergens met je fiets komen. Zonder te betalen krijg je überhaupt vrijwel niets te zien. Ik heb snel een foto gemaakt en ben doorgereden, vlug weg van deze commerciële waterval.
Op de camping in Rheinheim stond een Australiër. Ik had hem gisteren onderweg al zien ploeteren. Toen was hem net de weg gewezen door een lokale fietser die kennelijk een eindje was meegereden. Hij bedankte hem omslachtig. Hij moet naar Koblenz (Duitsland) en heeft geen kaart. Hij fietst op een racefiets en draagt alle bagage op zijn rug.

Donderdag 19 juni
Rheinheim – Steinstadt

De Australiër was al héél vroeg vertrokken maar ik had hem snel ingehaald. Hij had een lekke band en stond onder een brug, z’n rugzak helemaal uitgepakt. In de gauwigheid zag ik twee banden in doosjes. Hij leek niet op m’n aandacht te zitten wachten en ik ben dus maar doorgefietst.

Vrijdag 20 juni
Steinstadt – Kehl

Ik ben vanmiddag de Franse grens gepasseerd en rijd verder langs de andere Rijnoever. Met een (gratis) autopont kwam ik weer terug op de Duitse oever. Bij Meissenheim volgt de route volgens de kaart de oever, maar aan de palen hangt, waarschijnlijk sinds kort: “Durchfahrt verboten’. De hele boel wordt hier afgegraven door een of ander invloedrijk bedrijf. Ik moest helemaal om Meissenheim heen rijden.  Fietsend door prachtig avondlicht bereik ik een camping bij Kehl aan de Rijn.  Aan de overkant viert Frankrijk (Straatsburg) een Franse WK overwinning met getoeter en vuurwerk. Ze hebben met 5-1 gewonnen van Zwitserland.

Zaterdag 21 juni
Kehl- Bois de Munchhousen

Brücke der zwei Ufer

Via de Brücke der zwei Ufer ben ik naar Straatsburg gefietst. Daar tref ik iemand met precies dezelfde bepakking als ik. Hij was uit Marseille gekomen. Toen ik op een redelijk chic terras zat te lunchen – ik had me voorgenomen om in Straatsburg goed te eten – plaatste hij zijn fiets naast de mijne en vroeg of ik er op wilde letten. Hij moest naar de wc. Hij kwam bij me aan tafel zitten en bestelde een cola. Hij was een Duitse Chileen, die om zich aan zijn kinderen (in Chili) te bewijzen, van Marseille naar Aken fietste. Maar vandaag zat hij er doorheen. Hij was twee weken bezig. Avignon was schitterend geweest, maar de weg vanuit Marseille was vreselijk en met slechte fietsvoorzieningen.

Maandag 23 juni
Oggersheim – Appenheim

Het verstedelijkt gebied is niet mooi en wildkamperen is lastig. Daarbij behoren veel campings in Duitsland aan verenigingen, waarvan je lid moet zijn. De camping in Appenheim had een apart veldje, waar ik zou moeten beschikken over een koude, publieke douche. Maar die ontbrak. “Afgesloopt door een stel Polen,” zei een Duitse man van de private camping. Nu was er alleen nog een kraan.

Dinsdag 24 juni
Oppenheim – Bingen

Loreley

Bij Bingen begint de Loreley, een mooi stukje Rijn met aan weerszijden heuvels en veel kastelen. Ik ben gestopt bij een camping aan het water aan de westoever, met zicht op de spoorlijn langs de oostzijde. Regelmatig passeren treinen elkaar precies ter hoogte van de camping. Lange treinen, met auto’s, staal en wat al niet meer.

Woensdag 25 juni
Bingen – Remagen

Bij de Loreley was het een toeristenboel van jewelste. De Rijn is mooi, maar als fietser zit je opgesloten tussen de rivier, een autoweg en een spoorlijn. In Koblenz eet ik in de stad, een middagmenu met noedels en een bakje sla. Bier erbij, koffie; en ik kan weer even voort.  Binnen blijkt het een enorm Italiaans etablissement te zijn. Het is strak vormgegeven, maar de wc steekt er schril bij af.

Volgens de Fahrradgids moet er in de Florentinuskerk een kogel te zien zijn, ingemetseld in het gewelf ter herinnering aan de vernietiging van Koblenz. Bij de ingang zit een opzichter. Hij was naar buiten gevlucht omdat er een organist hard aan het oefenen was. De koster wist niets van een kogel, en een man die kwam om de organist te halen wist het evenmin. De opzichter liep mee de kerk in , maar moest het antwoord schuldig blijven. De kogel zou boven het doopfont moeten zitten, maar ook dat was niet te vinden.

Donderdag 26 juni
Remagen – Duisburg

Plaquette brug bij Remagen

Tegen het eind van WO II hadden de Amerikanen bij Remagen een brug onbeschadigd in handen gekregen. Uiteindelijk is hij ingestort en heeft hij meer dan twintig Amerikaanse soldaten bedolven. Ik moest er vreselijk piesen. Even verderop heb ik ontbeten op een bankje in de zon.
In Düsseldorf waren talloze bomen omgewaaid. Ik vroeg een fietser wat er gebeurd was. Pinkstermaandag, hij had nog nooit zoiets gezien: waar normaal licht was. zag je toen een zwarte muur. Enorm onweer, harde wind; alleen Düsseldorf en de omgeving waren getroffen, verder niet. Toen ik Düsseldorf binnen fietste was het lekker rustig. Vanuit huizen en kantines klonk een WK wedstrijd: Duitsland voetbalde. Toen ik bij de Rijnpromenade was, hadden ze kennelijk gewonnen want het werd opeens druk, met veel muziek en auto’s die rondreden met vlaggen uit het raam gestoken.
Langs de Rijn ten noorden van Düsseldorf passeer ik grazige weiden waar ik graag m’n tent zou opzetten, maar er zijn nog veel te veel mensen. Half Düsseldorf zat op de fiets, was aan het joggen of wandelen. Er staan prachtige villa’s met uitzicht over de rivier.

De Duitsers hebben een WK-wedstrijd gewonnen.

Maar er wonen vervelende mensen, die overal bordjes hebben laten plaatsen dat fietsers niet welkom zijn. De straten verzieken ze met hun stinkende auto’s, en vervolgens eisen ze de paden op om te wandelen met hun hond. Fietsers wordt overal gevraagd rekening te houden met voetgangers, maar mogen we ook wat verlangen van de voetgangers? Bijvoorbeeld dat ze hun auto niet parkeren op het fietspad, dat ze niet met vieren naast elkaar lopen, en dat ze laten merken mijn fietsbel te hebben gehoord. Tegen het vallen van de nacht heb ik mijn matras in het open veld gelegd, onzichtbaar tussen opgroeiend gewas, onder de rook van Duisburg.

vrijdag 27 juni
Duisburg – Emmerich, 120 km

‘Weer thuis in het Roergebied’

In Duisburg kon ik meteen de weg niet vinden. Grote drukte in de ochtendspits. Heb een eindje over een dijk gefietst van wat ik dacht de Ruhr maar wat bij nader inzien de Rijn bleek te zijn. In een parkje heb ik koffie gezet en brood gegeten. Een zwarte meneer kwam drie keer langs hollen van links, de vierde keer kwam hij van rechts. Aardige dames wezen mij de weg.  Ze hadden nog geen Urlaub en waren jaloers als ze bepakte fietsen zagen. Ze fietsten zelf tijdens vakanties ook altijd. Als ze groene weiden zien, met op de achtergrond hoogovens, wisten ze: weer thuis!

Zaterdag 28 juni
Emmerich – Amsterdam

‘Oosterkerk’ in Emmerich

Als gevolg van slechte bewegwijzering nabij de camper camping waar ik heb overnacht (pijltje haaks i.p.v. schuin) kom ik terug in Emmerich. De winkels zijn nog dicht, de markt wordt opgebouwd. Nu ik er toch ben, kan ik wel mooi een foto nemen van de Emmerichse variant van de Oosterkerk.

 

Bij Tolkamer kom ik ons land binnen.

 

 

Via knooppunten rijd ik door Schaarsbergen naar Nijkerk, Almere. De omgeving van Nijkerk en Barneveld vind ik vervelend. Er hangt geen gezonde boerenlucht maar de stank van bio-industrie.
Ik heb gegeten in een Italiaans restaurant in Almere haven.  Het water bij het Muiderslot, Pampus, IJburg. Amsterdam lag er mooi bij in de ondergaande zon. Het eerst wat binnen de Amsterdamse gemeentegrenzen tegen mij gezegd werd was ‘lul’, omdat ik op de Nesciobrug geen zin had aan de kant te gaan voor een toeterende snorscooter. Weer thuis!

Barcelona

Spaanse avonden op de fiets

Eerder verschenen in Vogel Vrije Fietser 2006 nr 1 

Fietsend valt er in Barcelona van alles te zien en te beleven. Binnen twee uur rijd je een rondje van de Sagrada Familia naar het oude centrum en de haven. Barcelona is compact en heeft ook ‘s avonds een mild klimaat. Een fietsstad in wording.

Stadsgezicht 12 (bewerkt) 4
De Sagrada Familia is in zwoele nachten goed per fiets te bereiken.

In de aanloop naar de Olympische Spelen in 1992 was Barcelona begonnen fietspaden aan te leggen zodat het zich kon presenteren als moderne West-Europese stad. Er ligt nu 120 kilometer fietspad, losse stukken die in Nederlandse ogen misschien nog een halfbakken netwerk vormen. Vast staat dat het aantal fietsers in Barcelona toeneemt. Volgens een gemeentelijke schatting zitten er dagelijks dertigduizend mensen op de fiets.

Altijd spitsuur

Vijf jaar geleden kwam Koos Kroon (38) op zijn Batavus naar Barcelona. Iedereen reed destijds op mountainbikes, die in de stad nogal onpraktisch zijn. Onderdelen voor een degelijke stadsfiets kon Kroon nergens kopen. Zijn fietsenwinkel Bike Tech was daarom een gat in de markt. De winkel in de wijk
Gràcia, met op de stoep een oer-Hollandse transportfiets van ´t Mannetje, is nauwelijks te missen. Kroon repareert en verkoopt vouwfietsen – handig in een stad waar de mensen klein behuisd zijn – en
degelijke gebruiksfietsen. Hij stelt vast dat de fiets in Barcelona steeds meer een alledaags transportmiddel wordt. Klanten vragen zelfs al om Nederlandse stadsfie tsen met terugtraprem. “Men realiseert zich dat de fiets een serieus alternatief is. Vergeet niet dat het in Barcelona altijd spitsuur is.”

Uitzicht vanaf Pl de Tetuan over de Gran Via de les Corts Catalanese Passeig richting Pl de les Glòries Catalanes.
Groen licht voor langzaam verkeer

Vouwfietsen

Barcelona telt ongeveer vijftien fietsenverhuurders. Bike Rental Barcelona van eigenaar Pablo Gomez (38) onderscheidt zich doordat het vouwfietsen bezorgt aan huis en hotel.

Pablo Gomez van Bike Rental Barcelona heeft zelf een fietskar ontworpen waarmee hij vouwfietsen naar zijn huurders brengt.
Gomez en zijn zelfontworpen vouwfietsvervoerkar

In zijn opslagruimte in de Barri Gòtic toont Gomez de fietsen die hij verhuurt: Dahon vouwfietsen met zes versnellingen. Vouwfietsen zijn populair in Barcelona, vermoed Gomez, omdat je ze kan meenemen in de metro en naar restaurants. De telefoon gaat. Gomez stapelt vijf vouwfietsen op zijn fietskar. Hij heeft zelf een fietskar ontworpen waarmee hij vouwfietsen naar zijn huurders brengt.  Bij de fietsen levert hij kettingsloten want ook in Barcelona is diefstal een probleem.

Infrastructuur

De gemeente zegt een fietsvriendelijk beleid te voeren. De gemeentelijke webpagina brengt fietsinformatie, het Bureau van Toerisme verhuurt fietsjes (Ciclobus), en soms wordt een fietspad aangelegd. Maar Barcelona blijft vooralsnog een autostad. Zelden gaan fietsvoorzieningen ten koste van het autoverkeer, voortdurend moeten fietsers en voetgangers ruimte maken. Op de stoep ontstaan daardoor conflicten die fietsers een slechte naam bezorgen.
De Catalaanse Fietsersbond Bacc (Bicicleta Club de Catalunya) maakt zich zorgen over de achterblijvende fietsinfrastructuur. Medewerkster Diana González wil dat de gemeente ruimte creëert voor fietsers. Ze heeft gehoor gekregen. “De wethouder heeft beloofd dat nieuwe fietspaden niet meer ten koste mogen gaan van voetgangers.”

Stadsgezicht 12 (bewerkt) 2
Opletten!

Nederlander Andries Ruesink (44) woont sinds 1987 in Barcelona. Hij doet haast alles per fiets. De afstanden zijn kleiner dan je in een miljoenenstad zou verwachten. Van de Plaça de les Glòries Catalanes in het oosten is het nog geen vijf kilometer naar de Plaça d´ Espanya in het westen.

Malle fratsen

Stadsgezicht 12 (bewerkt) 5
De boulevard van Barcelona.

Ruesink vindt het leuk om ´malle fratsen´ van de wegbeheerders te tonen. Dus slalommen we langs hekjes en reclameborden die zomaar midden op het fietspad zijn geplaatst, en rijden we over een fietspad langs de Gran Via de les Corts Catalanes dat opeens ophoudt. Je staat daar raar te kijken, maar het pad gaat verder aan de overkant. Nadat de walmende verkeersstroom voor een verkeerslicht tot stilstand gekomen is, kunnen we oversteken bij een zebrapad.
Onze route wordt verderop onderbroken door de Plaça d´ Espanya, een druk verkeersplein aan de voet van de Montjuïc. Het is geliefd omdat je er kan wandelen naar het hoger gelegen Museu Nacional d´art de Catalunya en het museum van Joan Miró. Vlak ervoor houdt ons fietspad op, de auto´s razen verder. “Beginnende fietsers kunnen hier het best de stoep op gaan,” adviseert Ruesink. Dus rijden we bij een bushalte dwars door een rij wachtenden en komen we uiteindelijk tot stilstand in een mensenmenigte.

Berucht in het algemeen zijn de brede straten en pleinen waar uit alle richtingen auto´s, scooters en motoren komen. De meeste problemen doen zich voor op grote pleinen als Espanya, Catalunya en Tetuan. Daar zie je dan ook veel fietsers oversteken via het voetgangers zebrapad. Lange rechte verkeersaders voor zover niet voorzien van fietspaden, kan je overdag maar beter mijden.
Elders kan je juist weer erg prettig fietsen, zoals op het fietspad langs de zee naar de nieuwe stadswijk Diagonal Mar.

Nachttocht

Als toerist kan je misschien nog wel het prettigst ´s avonds fietsen. Het verkeer is minder druk en neerstrijken op een terrasje is ook na zonsondergang aangenaam. Daarom stappen we weer op de fiets. Zonder verlichting, maar door twee politiemannen worden we vriendelijk gegroet. Als je maar zichtbaar bent. We volgen een route langs Barcelona’s hoogtepunten: Sagrada Familia, Casa Batlló en andere  feeëriek verlichte gebouwen uit de tijd van het modernisme.  We rijden ook nog even over de Ramblas langs het bekende standbeeld van Columbus aan de haven. Binnen twee uur hebben we zo de voornaamste toeristische trekkers van Barcelona gezien, en kunnen we op een pleintje in de Barri Gòtic genieten van bier en tapas.

Stadsgezicht 12 (bewerkt) 8
Rusten na een lange fietsdag


Verkeersregels

Voor fietsers gelden geen bijzondere verkeersregels. Je wordt wel geacht fietspaden te gebruiken, en als die er niet zijn de rechterrijbaan. In Barcelona woedt een discussie of je op de taxibaan mag fietsen. Voorstanders lijken het pleit te winnen. Fietsverlichting hoeft niet, als je maar goed zichtbaar bent bijvoorbeeld door reflecterende hesjes. Buiten de stad is een helm verplicht.

Lezen

– De ANWB Navigator Barcelona, een reisgids met beschrijvingen van de stad, informatie en praktische tips.

– De praktische gids Barcelona amb Bicicleta waarin journalist Gabriel Pernau antwoorden geeft op vragen als waar kan je fietsen en waar beter niet, hoe gedraag je je in het verkeer, en hoe voorkom je dat je fiets gestolen wordt. Twintig fietsroutes en veel praktische tips. (16.– euro, helaas alleen ter plaatse verkrijgbaar in het Catalaans.)

Internet

www.bcn.es/bicicleta Webpagina van de gemeente Barcelona

met onder meer fietsverhuurders, verkeersregels, en informatie over fiets en metro.

www.bacc.info Bicicleta Club de Catalunya, de Catalaanse Fietsersbond.

Barcelona 1 klein
VogelVrijeFietser 2006 nr.1 p.19

Barcelona 2 klein
Vogel Vrije Fietser 2006 nr.1 p.18

Londen

Herfst 2008 stond het Britse pond laag…

map1De herfstvakantie is net lang genoeg voor een fietstocht heen en weer naar Londen. De routes naar de Engelse hoofdstad zijn comfortabel maar de dagen kort. Ik moet flink doortrappen om na een week op tijd weer thuis te zijn.
De eerste kilometers kan ik dromen: Artis, Omval, Ouderkerk… Gaandeweg bereik ik minder bekend terrein, het Groene Hart, de olieopslag bij Rotterdam,  Zeeuwse deltawerken, boulevards in België, Noord-Frank rijk…
De ferry vaart in twee uur van Duinkerken naar Dover. Hij deint op de golven in de harde wind. Het regent en ik zie de beroemde witte rotsen van Dover pas wanneer we er zo ongeveer tegenaan varen.
Nooit eerder heb ik deze overtocht gemaakt. Hij is klassiek en ik vond dat ik hem een keer gedaanNCN1 resize copy moest hebben.
De ferry vervoert in dit jaargetij weinig fietsers. De enige die ik zag had achter zijn fiets een fietskar gehangen en stond keurig opgesteld tussen de wachtende auto’s. Zijn kar was beladen met dozen, een stoel, een kruk, een lamp en boeken. Hij kwam uit Lille en was bezig naar Londen te verhuizen, waar hij zijn geluk ging beproeven.
Aan land moet ik opboksen tegen een storm en haal niet meer dan vijf kilometer per uur. Iets buiten Dover zet ik mijn tent op de krijtrotsen in de beschutting van struiken. ’s Ochtends als Eigen weg Doverde wind is gaan liggen waag ik me naar de rand van de afgrond. Diep beneden rollen de golven tegen de krijtrotsen. Uit het grauwe water doemt in de verte het nog in nevelen gehulde Frankrijk op. Mijn hele leven heb ik me dat al afgevraagd, en eindelijk zie ik met eigen ogen dat je de overkant van Het Kanaal kan zien.
Ik volg de genummerde routes van het National Cycle Netwerk. Met de bijbehorende gids en kaarten zou4 dat eenvoudig moeten zijn. Maar het wordt een hele zoektocht. Sommige bordjes staan verstopt achter bosschages voor nauwelijks zichtbare zijwegen. Bij vliegveld Gatwick onder de rook van Londen is me überhaupt niet duidelijk waar ik fietsen mag. Overal zijn vierbaanswegen, viaducten en tunnels. In de berm liggen kapot gereden straatmeubilair en gebroken glas. Een bus kan me nog net ontwijken. De chauffeur was door rood gereden en bij mij ontbreken de goede reflexen. Linksrijden is me nog geen automatisme.
In de avondschemering sta ik in Greenwich langs de oever van de Thames. Aan de overkant verheft zich een hypermodern zakendistrict (Canary Wharf). Met de fiets aan de hand ga ik eerst door de Greenwich Foot Tunnel (gebouwd tussen 1899 en 1902) een eeuw terug in de tijd. Er waait een gure wind in het financiële zakendistrict maar er hangen tenminste zichtbare bordjes van.
Een geldautomaat geeft voor mijn dure euro’s verrassend veel ponden, ook dat is wel fijn. Ik rijd over het Isle of Dogs langs de hoogbouw van Canary Wharf. Veel staat te huur en te koop. Het begint al donker te worden. Waar zijn de mantelpakjes en krijtstrepen die ik verwacht had te zullen zien? Ik zie slechts wegomleidingen en zandhopen. Is deze naa2rgeestigheid het gevolg van de crisis, een nakende recessie? Een uur later ben ik ondanks routebordjes weer terug bij de voetgangerstunnel. Een mevrouw met een huilend kind ziet mijn wanhoop. Ze zegt dat de buurt al meer dan een jaar zucht onder een onduidelijke omleiding.
In de wijk Hackney ontmoet ik toeterende en boos gebarende automobilisten. Over het algemeen zijn de Engelsen vriendelijk, maar hier niet. Hackney schijnt ook een buurt te zijn waar het ’s nachts in je tentje slecht toeven is. Ik houd daarom de aanbevolen fietsroute voor bekeken en laat mij zo snel mogelijk meevoeren over de A 10 in een enorme verkeersstroom naar de noordrand van Londen.

Pas ter hoogte van Lee Valley Parc wordt het stiller. Diep in de nacht ik zet ik mijn tentje naast het fietspad om een paar uur te slapen.Bij het tentje (1)