Snurken

Moet ik nog verder schrijven over de Maas, vraag ik me af. Want in België voorbij Namur is de rivier veel van haar charme verloren.

Haven met stenen even ten zuiden van Luik

Beboste hellingen veranderen in steengroeven, al ver voor Huy zijn er koeltorens te zien van een kerncentrale, en je hoort onophoudelijk autoverkeer.

Kerncentrale bij Huy


Dat geluid brengt mij op een motorrijder die ik deze maand op een camping ontmoette. Hij had altijd oordopjes in: overdag tegen het verkeerslawaai en ‘s nachts tegen het gesnurk van zijn vrouw. Overigens bleek  hij er zelf ook wat van te kunnen.

Misschien snurk ik zelf ook wel in mijn tent… In Kehl vroegen een moeder en dochter, die vlakbij stonden, of ik lekker had geslapen. Had ik gesnurkt? ‘Nein’, verzekerden zij me, het ging om iemand anders. Ik had inderdaad ook iemand gehoord maar de moeder had er de halve nacht wakker van gelegen.

Jaren geleden nam ik deel aan een georganiseerde fietsreis, in een groep met een zekere Wim. Wim bleek geweldig te snurken. De halve groep lag ‘s nachts wakker. Wanneer we op een nieuwe locatie waren gekomen keek iedereen stiekem waar Wim zijn tent zou zetten. Als Wim soms draalde, vroeg iemand poeslief: “Wim, waar zet jij vannacht je tent?” En dan plaatste iedereen zijn tent daar zo ver mogelijk vandaan. Gênant. (Later is het in de groep gelukkig helemaal uitgepraat.)

Mijn tent is gehorig, ook als ik hem helemaal zou afsluiten